De Schepping

Het begin van de christelijke visie op de natuur ligt in het begrip schepping: dat God er was 'vóór den beginne', en dat Hij alles schiep uit niets. Hieruit begrijpen wij dat de schepping niet een uitbreiding van Gods wezen is. De geschapen dingen hebben een bestaan gekregen in zichzelf. Ze zijn er werkelijk. Het is de bijbelse visie op natuur die haar een waarde toekent in zichzelf. Waarbij de natuur niet slechts als wapen of argument is in het onderbouwen van het geloof in God (apologetiek), maar ziet als iets dat waardevol is in zichzelf omdat God haar geschapen heeft.

 

Het is belanghebbend er aandacht te geven aan dat na de Reformatie (door Luther, Calvijn en vele anderen) de Hollandse schilders de natuur begonnen te schilderen, daar ze niet meer de noodzaak voelden zich te beperken tot religieuze onderwerpen. De meeste kunstenaars kwamen opeens tot de ontdekking dat de natuur zelf waard is geschilderd te worden en dat het van juist christelijk inzicht getuigt om haar naar haar eigen waarde te schilderen. De Reformatie leidde tot deze ware christelijke mentaliteit, die rust in de werkelijkheid van de schepping door (-niet uit-) God. Hieruit volgt ook dat voor alle dingen geldt dat zij geschapen werden door God, en voor alle dingen gelijkelijk dat ze geschapen werden uit niets. Alle organismen, de mens inbegrepen, zijn gelijk in hun oorsprong, in zoverre het geschapen-zijn betreft.

 

De essentie van God

Dit alles hangt af van de essentie van onze God. God bestaat niet slechts, maar de vraag dient gesteld Wie Hij is. De God van joden en christenen verschilt geheel en al van andere goden in de wereld. De 'joods-christelijke' God is een persoonlijke, eeuwige God. Hij is oneindig en tegelijkertijd persoonlijk. (Proef het verschil met de oosterse goden die wel per definitie oneindig zijn, daar zij alle fenomenen omvatten (zowel mannelijke als vrouwelijke, zowel wrede als niet-wrede, enzovoort), maar zij zijn nooit persoonlijk. In tegenstelling hiermee waren de goden van het westen, de Griekse en de Romeinse goden, de grote god Thor en de Angelsaksische goden wel persoonlijk, maar altijd beperkt en eindig.)

 

De geordendheid van de Schepping

Hoe heeft Hij ze nu geschapen? Als we letten op Zijn oneindigheid fungeert als kloof dat Hij alle dingen schiep en dat alleen Hij schept. Hij is de schepper en al het andere is door Hem geschapen. Alleen Hij is oneindig, als Schepper; al het andere is schepsel en eindig. Hij alleen is onafhankelijk; al het andere is afhankelijk. Zo zijn dus de mens, het dier, de plant en het onbezielde vanuit bijbels gezichtspunt, alle gelijkelijk gescheiden van God in die zin dat Hij ze geschapen heeft. Wat betreft de oneindigheid is de mens evenzeer afgezonderd van God als 'het ding' dat is. Rekenend vanuit de oneindigheid ligt de kloof dus tussen God en al het overige in. Wel is er ook nog een andere kant: die van het persoonlijke. Hier bevinden zich het dier, de plant en de dingen zich aan gene zijde van de kloof. Gesteld tegenover Gods oneindigheid is al het overige eindig en daarom gelijkelijk gescheiden van God; maar wat de persoonlijkheid van de mens betreft: God heeft hem / haar naar Zijn beeld geschapen. Daarom is de relatie van de mens voornamelijk naar boven gericht (d.w.z.: richting God). Als persoon is hij gescheiden van de natuur, want hij is geschapen naar Gods beeld. Dat wil zeggen, hij heeft persoonlijkheid en is, als zodanig, uniek in de schepping. Maar door zijn geschapen-zijn, is hij wel verbonden met alle schepselen. De mens is ook gescheiden van al het overige, maar dat betekend niet dat hij daardoor de juiste relatie naar beneden niet kan hebben (voor beneden lees: in de richting van de aarde: het overige geschapene). Maar zijn relatie is niet alleen benedenwaarts. De mens heeft namelijk een dubbele relatie: naar boven én naar beneden. Christenen verwerpen de opvatting dat er geen, of slechts een kwalitatief onderscheid is tussen de mens en de andere schepselen. Maar zij verwerpen ook de opvatting dat de mens geheel en al gescheiden is van al het overige geschapene.

Wat is de mens, slechts een verzameling atomen of energiedeeltjes? Neen, ik ben naar het beeld van God gemaakt. Ik weet wie ik ben. Toch is het, anderzijds, ook zo dat wanneer ik mij tot de natuur wend, ik geconfronteerd wordt met iets wat op mij lijkt. Ik ben ook geschapen, net als het dier, de plant en het atoom.

 

Liefde

Er ligt hier een parallel met onze roeping om lief te hebben. De christen heeft de opdracht om alleen andere christenen als broeders in Christus lief te hebben. Niet alle mensen zijn onze broeders, zoals wel beweerd wordt. Vanuit bijbels gezichtspunt hebben broeders dezelfde Vader. Alleen dan, wanneer een mens zich overgeeft aan de beloofde Messias van het oude testament als zijn verlosser uit de zonde wordt God ook zijn Vader. Dat volgt duidelijk uit de woorden van Jezus. Dus zijn niet alle mensen onze broeders in Christus.

Echter, hoewel de bijbel zegt dat niet alle mensen onze broeders zijn, volgt daar niet uit dat wij niet alle mensen dienen lief te hebben als onze naasten. Vandaar de geweldige schok die de Jezus' gelijkenis van de barmhartige Samaritaan teweegbracht: ieder die uit énen bloede met mij is, dien ik op grond dat ik zijn naaste ben lief te hebben. In het nieuwe testament gebruikt de uitdrukking 'één bloed' om aan te duiden dat alle mensen een eenheid vormen, daar zij door God geschapen zijn. Daardoor hebben zij een gemeenschappelijke oorsprong met alle rassen, talen en volken. Dus er zijn als het ware twee mensheden: de mensheid die in opstand is tegen God en de mensheid die dat geweest is, en nu in Jezus Christus geloven. (Want niet een van ons behoort tot deze tweede mensheid door zijn natuurlijke geboorte.) Maar met elkaar vormen zij toch slechts één mensheid: allen zijn geschapen naar Gods beeld. De parallel is nu dat we niet alleen onze broeders in Christus als broeders lief dienen te hebben, maar ook de anderen als onze naaste lief dienen te hebben.

 

Hetzelfde is van toepassing op de natuur. Hoewel wij duidelijk gescheiden zijn van de dieren, de planten en het onbezielde zijn wij er toch mee verbonden. Het is geen kwestie van kiezen: men dient beide te erkennen. Deze waarneming ben ik in geen andere filosofie tegengekomen. Zij verklaart, onder meer, de lichamelijke functies van de mens. We hebben, bijvoorbeeld, het ademhalingssysteem met honden en katten gemeen. Dat hoeft ons niet te verbazen. De mens zowel als honden en katten zijn door God geschapen om in een gemeenschappelijk milieu te leven. Er bestaat een gemeenschappelijke relatie tussen deze functies, die de mens verbindt met de schepselen van 'lagere' orde. Er bestaan dergelijke functies in de mens. Psychologisch gezien bestaat er een conditionering, niet alleen in dieren, maar -tot op zekere hoogte- ook in de mens. Gezien onze relatie met de hogere zowel als de lagere orde van de schepping, mag dit ook verwacht worden. Toch hoef ik niet bang te zijn daar overweldigd door te worden, of bedreigt, want ik weet dat ik geschapen ben naar het beeld van God. Ik zie in waarom ik al deze functies heb, want ik sta in relatie tot de 'lagere' dingen. (Hoewel de term 'lager' niet ideaal is, zoals we nog zullen zien.) Wanneer ik dieren, planten en dingen zie en mijzelf met hen confronteer begrijp ik daardoor - zowel intellectueel als psychologisch - iets van de houding die ik tegenover hen behoor in te nemen. Ik begin anders over het leven te denken. De natuur gaat er ook anders uitzien. Ik ben van haar gescheiden en toch ben ik met haar verbonden.

 

intellectueel en gevoelsmatig

Let vooral op de zinsnede 'intellectueel als psychologisch'. Dit is een zeer belangrijke onderscheiding. Ik kan stellen: "inderdaad, de boom is een schepsel, net als ik zelf ben". Maar dat is niet alles waar het hier om gaat. Er hoort op dit punt ook een psychologisch inzicht bij. Psychologisch gezien behoor ik een relatie tot de boom als mijn medeschepsel 'aan te voelen'. Dus niet dat wij een relatie tot een boom als medeschepsel intellectueel moeten aanvoelen om dat om te zetten in een argument voor de apologetiek. Maar wij dienen te beseffen dat gezien uit onze geschapenheid wij werkelijk één zijn met de boom als Gods schepping.

 

Deze verhouding is er niet slechts om esthetische redenen -hoewel dat op zichzelf al reden genoeg zou zijn, omdat mooie dingen belangrijk zijn.-, maar wij behoren elk ding eerlijk te behandelen, omdat God de dingen zus of zo gemaakt heeft. De christen handelt dus met 'de dingen' op rechtschapen, omdat hij niet gelooft dat ze op zichzelf staan (autonoom zijn). Nee, ze staan niet op zichzelf want God heeft alles gemaakt, ieder ding op zijn eigen 'nivo'. De waarde ligt niet geheel en al in henzelf, maar in het feit dat God ze met liefde geschapen heeft. Daarom verdienen zij met respect behandeld te worden. Men hoeft dan niet de bomen te verromantiseren, zoals bijvoorbeeld een oude dame doet met haar kat door menselijke gevoelens in het dier te projecteren. Als iemand hout nodig heeft en hij hakt een boom om, hakt hij niet een persoon om maar een boom. Dus hoewel wij die boom niet willen verromaniseren, moeten wij wel beseffen dat God die boom geschapen heeft. De boom verdient dan ook onze achting omdat God hem gemaakt heeft, als boom. Omdat wij geloven dat God alle dingen specifiek, naar zijn eigen aard, geschapen heeft, dienen wij de consequenties van dit geloof in onze houding te tonen. De christen is iemand die duidelijk reden heeft om ieder geschapen ding met zeer groot en diep respect te behandelen.

 

Valkuil !!!

Helaas laten wij ons christelijk denken vaak kleuren door platonische begrippen. Het platonisme ziet de materie als iets van lage orde en niet wezenlijk belangrijk, het gaat slechts om de ziel. De natuur is bij het platonische christendom verworden tot slechts een bewijs van Gods schepping, met nauwelijks waarde in zichzelf. Een extreem voorbeeld is het verschijnsel dat er zeer streng gelovige christenen zijn die gerust hun huisdieren en vee hard mogen behandelen, want `dieren hebben immers geen zielen gaan niet naar de hemel´ Desondanks willen zij volhouden bij uitstek orthodox of bijbels te zijn. Maar in houding zijn zij dat niet: hun ´christelijkheid´ is een verdraaide of platonische versie ervan. Dit vertegenwoordigd een sub-christelijke kijk op de natuur, dat wil zeggen een ònchristelijke. Wij mogen en kunnen de natuur en de materie niet van lager orde achten. Want wij beseffen dat God ze gemaakt heeft. We kunnen denken dat ze op verschillend nivo geschapen zijn, maar dat is een heel andere zaak dan ze als laag te beschouwen in de zin van onecht en onedel. God heeft alles gemaakt; daarom is er geen plaats voor elke aanduiding van minderwaardigheid en alle daarmee gepaard gaande gevoelens, beslist geen plaats.

Hoe zou dit ook mogelijk zijn? Immers Jezus heeft een echt lichaam aangenomen omdat God de mens met een lichaam gemaakt heeft. Zo heeft dus de God van de schepping in de vleeswording een menselijk lichaam aangenomen. Het lijf van Christus werd werkelijk opgewekt uit de dood. Dit is een heel belangrijk punt. Bovendien kon Jezus Christus na Zijn opstanding eten en voelbaar, waarneembaar aangeraakt worden. De bijbel stáát op de werkelijke, geschiedkundige, tijd/ruimtelijke opstanding van Jezus (Jesjoewa). Dus niet als een geest of een (geestelijke) verschijning. Dit lichaam voer op naar de hemel, naar de voor ons onzichtbare wereld, en is daar nu nog steeds en zal eens in de toekomst weer gezien worden in de zichtbare wereld. Met de Hemelvaart is het lichaam zelf voor een bepaalde tijd naar de hemel gegaan. Onze opstanding is net zo. Wanneer Jezus weer terugkomt zullen onze lichamen uit de dood opgewekt worden. Dit zal een werkelijke, natuurkundige opstanding worden. Dus of het nu Jezus lijf of ons lijf betreft; het gaat om hetzelfde: God heeft het lichaam gemaakt en daarom mag het niet veracht of als van lage orde beschouwd worden.

 

Integriteit met de schepping

Een dergelijke nadruk vindt men duidelijk in Gods scheppingsverbond in de bijbel. Het scheppingsverbond berust hierin dat God niet laat varen de werken van zijn hand. God zal ernaar handelen zoals Hij ze gemaakt heeft. Hij zal al zijn verbonden niet verbreken. Hij zal een plant altijd als een plant behandelen, een dier als een dier, een ding als een ding en een mens als een mens. Hij zal de scheppingsstructuren handhaven. Hij zal niet van het ding vragen dat het zich gedraagt als een mens, noch zal Hij met de mens handelen alsof het een ding of een mechaniek zou zijn.

Zo behandelt God Zijn schepping dus met integriteit: elk ding overeenkomstig zijn structuur, ieders ding "naar zijn aard", dat is zoals Hij ze gemaakt heeft. Als God zo met Zijn schepping handelt, moeten wij dan onze medeschepselen, dan niet hetzelfde doen, met soortgelijke integere houding? Als god de boom behandelt als een boom, het onbezielde als onbezield, de mens als mens, behoor ik, als medeschepsel, dan niet hetzelfde te doen: met elk ding op zorgvuldige wijze omgaan, overeenkomstig zijn eigen structuur? En dat juist om de meest belangrijke reden: omdat ik God, Hem die het alles gemaakt heeft, liefheb! Daar ik de Liefdevolle, Die alles geschapen heeft, liefheb, heb ik achting voor elk afzonderlijk ding dat Hij gemaakt heeft.

 

Laten wij mogen benadrukken dat dit niet het gelijkschakelen is van God en Zijn schepping, desniettegenstaande moet deze achting bewust beoefend worden. Welbewust dienen wij ons ten opzichte van elk ding overeenkomstig zijn eigen structuur te gedragen. Hoewel deze idee geldt voor alle mensen - daar zij allen geschapen zijn naar Zijn beeld, ook al beseffen zij dit niet - hebben christenen er toch speciaal begrip voor, door hun bijzondere relatie tot God. Een relatie die verrijkt wordt wanneer zij de dingen die Hij gemaakt heeft op dezelfde wijze behandelen als Hij dit doet.

Zoals zoveel in het christelijk leven, komt ook deze houding niet maar automatisch tot stand, en wel omdat God ons behandelt als mens en Hij van ons verwacht dat wij als mens handelen. Hierom is het dat wij welbewust de integriteit van elk ding, waarmee we in contact komen, erkennen en er zó mee omgaan.

 

Waardigheid door God

Dit alles raakt de innerlijke houding tegenover de natuur. Hoe behandelt hij haar? De algemene (post)moderne mens ziet geen echte 'waarde' in de natuur, of het nou de oceaan, de lucht of het bos. De meest grove vorm van egoïstische, pragmatische waardering is de enige die hij har wil geven. Hij behandelt haar als een 'ding' in de slechtste zin van het woord, teneinde haar te exploiteren in het 'voordeel' van de mens. Hoe kàn de mens die gelooft dat de dingen er slechts zijn door toeval er een reële waarde aan toekennen? Maar voor de christen ligt de waarde niet op autonome wijze in het ding zelf, doch heeft het waarde omdat God het geschapen heeft. Zoals de mens, die geschapen is door God, verdient ook elk werkstuk van God de Schepper achting van de mens.

 

'wetskringen'-idee

Het is helaas zo dat op het gebied van de ecologie vele 'christenen' nog minder zijn dan animisten die denken dat geesten in bomen wonen en die daarom bomen niet zorgeloos omhakken. Hoewel dat zo is, komt dat niet omdat het christendom niet het juiste antwoord zou hebben, maar omdat christenen niet in overeenstemming ermee hebben gehandeld. Dus niet omdat een christen geen visie zou hebben die een grote waarde toekent aan een boom, maar omdat we als christenen niet gehandeld hebben op grond van de waarde die de boom heeft als schepsel van God, die wij dienen te kennen.

Volgens Abraham Kuyper functioneren wij allen in verschillende rollen of kringen, zoals de mens die vader of dochter is, de mens die scholier is, de mens die werkgever is, de mens die ouderling in de kerk is, enzovoort. Dus hoewel zij zich op verschillende tijden zich in verschillende kringen bevinden, dienen christenen zich als christenmensen te handelen in elk van die kringen. Dit noemde hij: wetskringen-idee. De mens bevindt zich namelijk altijd binnen deze kringen, en hij is altijd christen, onderworpen aan de normen van de bijbel, of hij nu voor de klas staat of thuis is. Dit wetkring-idee geldt niet alleen voor de mens als christen, maar breidt zich uit over de mens als schepsel. Ik ben namelijk ook geschapen, iemand die niet op zichzelf staat en die handelt met de dingen rondom hem, welke evenmin op zichzelf staan. Daarom dien ik als christen welbewust op een gepaste wijze met ieder geschapen ding omgaan, met ieder ding overeenkomstig de eigen kring waarin het thuishoort volgens de ordening van de schepping.


Kortom:

God heeft alle mensen en alle dingen geschapen. Hij heeft zowel mijn lichaam als mijn ziel gemaakt. Hij heeft mij geschapen zoals ik ben, met de hunkeringen van mijn lichaam en de mogelijkheden van mijn geest. En zoals Hij mij gemaakt heeft zo heeft Hij ook alle dingen gemaakt. Hij heeft het gesteente en het gesternte gemaakt. Dit alles heeft Hij geschapen! Te denken dat al deze dingen wezenlijk van lage orde zijn, is in werkelijkheid een belediging van de God Die ze gemaakt heeft.

 

- Waarom raken vele christenen het spoor toch zo bijster, terwijl dit zo duidelijk geopenbaard is?
- Waarom zou ik beweren dat mijn lichaam van lagere orde is dan mijn ziel, terwijl God ze beide geschapen heeft?
De vleeswording van Christus leert ons dat het lichaam van de mens en de natuur niet als iets van lagere orde beschouwd mogen worden. Een tweede reden waarom het materiële niet van lage orde is, is dat het lichaam van Christus echt werd opgewekt uit de dood. De opstanding van het vlees is een zeer belangrijk punt, een leerstellige waarheid die ons daarbij een bepaalde, positieve houding tegenover het leven, de natuur, het geschapene, doet innemen. Hij kon aangeraakt worden, Hij kon eten en dit opgestane lijf is nu ergens! De opstanding en de Hemelvaart van Christus bewijzen ons dat er geen scheiding of controverse is tussen het materiële en het geestelijke. De natuur en de ziel zijn beslist geen tegengestelden, want het feit dat onze lichamen eens opgewekt zullen worden getuigd hiervan. Evenals dat God ook een nieuwe Aarde zal maken.

 

Een degelijke nadruk vindt men duidelijk in het Gods scheppingsverbond ten tijde van Noach. In Genesis 9 regel 8-17 lezen we over Gods verbond bij de relatie met de schepping. 'Zie ik richt mijn verbond op met u en uw nageslacht (de mensheid), en met alle levende wezens ...' God zegt dus dat Hij Zijn verbond met de mensheid maakte, en eveneens met de gehele schepping. En dan in regel 13 zegt Hij: '... Mijn boog stel Ik in de wolken, opdat die tot teken zij van het verbond tussen mij en de aarde.' God doet hier een belofte die de gehele schepping omvat. God stelt belang in Zijn schepping. Hij veracht haar zeker niet. Voor de christen bestaat er in het geheel geen reden om er een dualistische platonische opvatting van de natuur er op na te houden. Sterker nog: dit is, bijbels gezien, absoluut verkeerd. Wat God gemaakt heeft, mag ik, die ook schepsel ben, niet verachten. De dingen als minderwaardig te beschouwen is in werkelijkheid God, die ze gemaakt heeft, beledigen.